Veelgestelde vragen

Het onderwerp seksueel ongewenst gedrag roept veel vragen en onzekerheid op. We hebben hier de vragen op een rij gezet die het meest worden gesteld over dit onderwerp. In de antwoorden hebben we veel links opgenomen naar websites waar meer informatie te vinden is over dat onderwerp. 

Seksueel ongewenst gedrag

Om seksueel ongewenst gedrag tegen te gaan, moet je het herkennen. De grens tussen gezellig en ongewenst kun je niet zomaar bepalen. Dat verschilt per situatie. Wat de een normaal vindt, is voor de ander misschien al heel vervelend. Daarom moet je als vrijwilliger begrijpen dat een ander zijn eigen grenzen heeft. Niet iedereen wil aangeraakt worden. Ook als je er niets vervelends mee bedoelt, kan een ander het als onprettig of zelfs bedreigend ervaren. Oefen er maar eens mee. De Grenzenoefening helpt je ontdekken waar je eigen grenzen en die van anderen liggen.

Als organisatie kun je afspraken maken over gedrag. Voor de hele club. Dat kan je vastleggen in Omgangsregels. Daarin staat bijvoorbeeld dat je respect hebt voor elkaars  grenzen. Om die zelf te maken, kun je workshop Omgangsregels doen. Maar vrijwilligers, jeugdleiders en begeleiders van kinderen of mensen met een verstandelijke beperkging hebben ook macht. Degene die je begeleidt of helpt is van jou afhankelijk. En in dat geval is alle seksueel gedrag ongewenst. Dus daarover maak je natuurlijk ook afspraken, die je vastlegt in je gedragscode voor vrijwilligers. Als je zulke afspraken eenmaal hebt, dan is het volkomen duidelijk. Het maakt dan ook niet meer uit of een kind of iemand met een verstandelijke beperking iets prettig vindt of niet. De afspraak tussen jou en de organisatie is bepalend en die zegt dat elke vorm van seksueel gedrag ongewenst is. Dus niet mag.

Sommige zaken zijn ook nog eens strafbaar. In de zedenparagraaf staat wat er in ieder geval niet kan met minderjarigen en mensen die ‘wilsonbekwaam’ zijn. Daarnaast mag je niet profiteren van je band met iemand die  afhankelijk van jou is of waar je overwicht over heeft. Denk trouwens bij strafbaar gedrag niet alleen aan seks hebben, maar ook aan het maken van foto’s en video’s, het vertonen van porno en ‘grooming’. Het is best lastig om seksueel gedrag te beoordelen, maar het kan wel.

Wat je via de media hoort is maar een deel van wat er gebeurt. Meestal is het ook beter om zulke zaken niet met een groot publiek te delen. Het ligt al gevoelig genoeg. Daarom is het ook lastig om te zeggen hoe vaak seksueel misbruik voorkomt in het vrijwilligerswerk. Iedereen weet hoe er naar organisatie gekeken wordt waar seksueel misbruik is gebeurd. Om je een idee te geven: Via het NOC*NSF telefonisch meldpunt, worden per jaar gemiddeld tussen de 85 en 100 meldingen binnen de sport gedaan. In zo'n 40% van de gevallen gaat het om seksueel misbruik van minderjarigen. De werkelijke aantallen zullen hoger liggen omdat er lang niet altijd aangifte wordt gedaan. Veel zaken worden binnen de club, samen met de betrokkenen, de vertrouwenspersoon en soms deskundigen opgelost. Juist omdat dit soort zaken zo'n enorme impact hebben op de levens van kinderen, jongeren en mensen met een verstandelijke beperking is voorkomen heel erg belangrijk.

Plegers en slachtoffers

Allereerst dit: een pleger van seksueel misbruik heeft geen bijzondere kenmerken. Zo iemand kan jong of oud zijn. Ze komen uit alle lagen van de bevolking komen en hebben diverse culturele achtergronden. In vier van de vijf gevallen (80%) is het een bekende van het slachtoffer: broer, vader, oom, huisvriend, babysitter, leraar, hulpverlener, sportcoach, begeleider of pastor. Plegers zijn in 80 tot 90% van de gevallen jongens en mannen, ook als het om misbruik van jongens gaat. Lees meer over het herkennen van plegers.

Elk kind, elke jongere en iedereen met een verstandelijke beperking kan slachtoffer worden van seksueel misbruik. Sommigen van hen kan het gemakkelijker overkomen. Bijvoorbeeld kinderen en jongeren die  beschermd zijn opgevoed en die geen gevaar zien. Kinderen die verwaarloosd zijn en graag aandacht en bevestiging willen. Kinderen met problemen (thuis), die zijn weggelopen of die in de war zijn. Daarom is het voor mensen die in vrijwilligersorganisaties actief zijn belangrijk om bijvoorbeeld ook eens een praatje met ouders te maken als die hun kind komen halen of brengen. Niet vanuit wantrouwen, maar gewoon om ze iets beter te leren kennen. Communicatie en openheid helpen om misbruik te voorkomen.

Als ouder voel je meestal wel aan dat er iets niet goed zit bij je kind. Of het dan ook meteen om seksueel misbruik gaat, is natuurlijk de vraag. Als je kind bijvoorbeeld geen plezier meer heeft in de activiteiten, of steeds geen zin om erheen te gaan, kan er iets aan de hand zijn. Misschien is het gewoon een dip, maar het kan ook te maken hebben met vervelende ervaringen. Sommige kinderen vertellen zelf dat er vervelende dingen gebeuren. Andere kinderen praten er juist niet over, maar krijgen lichamelijke klachten: buikpijn, slecht slapen, ineens bang zijn voor dingen (angsten die het kind eerder niet had). Neem zulke signalen serieus! Praat met je kind en probeer uit te vinden wat er aan de hand is. Blijf niet zitten met vragen, twijfels of klachten. Als je denkt dat er iets aan de hand is, neem dan contact op met de vertrouwenspersoon van de vrijwilligersorganisatie. Die zal je serieus nemen, wat je vertelt of vraagt vertrouwelijk behandelen en je advies geven over hoe verder.

Ja natuurlijk. Juist omdat er steeds meer aandacht is voor seksueel ongewenst gedrag, zijn er steeds meer organisaties die alerlei maatregelen en hebben afspraken hebben. Daardoor wordt de kans dat het misgaat kleiner. En het zou jammer zijn als je kind niet meer de dingen kan doen waar hij of zij veel plezier aan beleeft. Als ouders mag je trouwens best aan de vrijwilligersorganisatie vragen wat ze op dit gebied hebben geregeld. Als er een goed antwoord komt, geeft dat een veilig gevoel. Bovendien helpt je vraag de organisatie ook om zich weer eens te realiseren dat dit voor ouders een belangrijk onderwerp is. Dit zijn bijvoorbeeld vragen die ouders geregeld stellen.

Op dit moment worden clubs vooral gestimuleerd om aan de slag te gaan met de preventie. Vanuit de landelijke koepelorganisaties nemen we nog geen maatregelen tegen lokale clubs die niets doen. Vervolging is wel mogelijk vanuit civiel recht. Vrijwilligersorganisaties die, door hun daden of juist het nalaten ervan, schade berokkenen aan leden, vrijwilligers of deelnemers kunnen zo aangepakt worden. Dat legt een druk op organisaties om actief aan de slag te gaan met de preventie van seksueel misbruik.

Kinderen, jongeren en mensen met een verstandelijk beperking hebben aandacht nodig. Het zal vaak genoeg voorkomen dat een kind op schoot kruipt of dat een vrijwilliger helpt om een kind kleren aan te doen. Als dat niet meer kan, is vrijwilligerswerk onmogelijk en dat is natuurlijk niet te bedoeling. Belangrijk is dat je in jouw organisatie het gesprek blijft voeren over wat wel en niet kan. Het is verstandig om omgangsregels te maken, zodat een vrijwilliger nog steeds  een kind veilig kan troosten. Openheid zorgt ervoor dat kinderen kunnen aangeven dat ze iets niet willen en dat vrijwilligers hier alert op zijn. Verder: bespreek het onderwerp met vrijwilligers, ouders en kinderen. En als er  vermoedens zijn of een vervelend gevoel dat er alle ruimte is om het erover te hebben. 

Verklaring Omtrent Gedrag

Zelfs als een vrijwilliger een VOG heeft, is het nog mogelijk dat die in de fout gaat. Hoe komt dat? Bij een VOG-aanvraag onderzoekt het Ministerie van Veiligheid en Justitie of de aanvrager strafbare feiten heeft gepleegd die een risico vormen voor zijn werk in de vrijwilligersorganisatie. Als iemand een VOG heeft, hoeft dat dus niet te betekenen dat hij nooit met Justitie in aanraking is geweest. Maar een VOG aanvragen voor vrijwilligers laat wel zien dat je als vrijwilligersorganisatie bewust bezig met het zorgen voor een zo veilig mogelijke omgeving. En dat schrikt de mensen die verkeerde dingen willen doen in veel gevallen wel af.

Eigenlijk moet elke vrijwilliger die met  kinderen of mensen met een verstandelijke beperking werkt een VOG hebben. Als iemand geen VOG kan krijgen is hij of zij al eens veroordeeld voor een zedendelict. Maar checken of iemand de VOG heeft is niet genoeg. Vaak worden plegers alleen maar weggestuurd zonder aangifte bij politie. Dan krijg je als organisatie geen slechte publiciteit. Soms nemen ouders de beslissing om er geen zaak van te maken omdat ze het al zwaar genoeg vinden voor hun kind. Als die dan ook nog aan een rechtzaak moet gaan meewerken... Maar de pleger kan dan zo weer ergens anders aan de slag. Gelukkig doen steeds meer organisaties wel aangifte of ze zorgen dat een pleger op de registratielijst komt. Wie op die lijst staat heeft is in de fout gegaan en mag geen vrijwilligerswerk meer doen. Deze registratielijst gaat verder dan de VOG. Zo maken we het als vrijwilligersorganisaties veiliger.

De VOG - verklaring omtrent gedrag - kun je aanvragen op gratisvog.nl.

De gedragscode

Dat is een begrijpelijke vraag. Het komt erop neer dat omgangsregels bedoeld voor iedereen van organisatie. Dus vrijwilligers, medewerkers, deelnemers, bestuur, echt iedereen. Dit voorbeeld van omgangsregels zou je kunnen aanpassen voor je eigen organisatie. De gedragscode is er voor begeleiders, dus voor vrijwilligers die een verantwoordelijkheid hebben voor deelnemers zoals kinderen of mensen met een verstandelijke beperking. Het belangrijkste punt in de omgangsregels is respect voor elkaar. Bij de gedragscode gaat het om de  zorg, verantwoordelijkheid en bescherming van degenen met wie je 'werkt' als vrijwilliger en begeleider.

De gedragscode maak je om duidelijk te zijn over hoe vrijwilligers en begeleiders omgaan met degenen die ze helpen. Om het gesprek daarover op gang te brengen. Dat betekent dus niet dat je probeert om alle lichamelijke of persoonlijke contact met de deelnemers te verbieden. De gedragscode helpt je om erover te blijven praten en zo naar je eigen gedrag en dat van andere begeleiders te kijken. Want als er sprake zou zijn van seksueel ongewenst gedrag, wil je het daar zo snel mogelijk over hebben.

Het tuchtrecht

Het tuchtrecht is van de organisatie; het strafrecht is van Justitie. Via het tuchtrecht kan je als organisatie iemand die zich niet houdt aan de afspraken (bijvoorbeeld de gedragsregels van de organisatie) aanpakken. Met het tuchtrecht kun je ook zaken aanpakken waar Justitie niets mee kan. Een maatregel volgens het tuchtrecht is vooral bedoeld om de omgeving van het kind of iemand met een verstandelijke beperking veiliger te maken. In het tuchtrecht gaat het niet allereerst om straf. Met het tuchtrecht kun je er bijvoorbeeld voor zorgen dat iemand niet meer vrijwilliger mag zijn bij jouw organisatie. Soms mag iemand helemaal geen vrijwilligerswerk met minderjarigen meer doen. 

Als er iets mis is, zie je vaak wel dat de rechter en de tuchtcommissie rekening houden met elkaars visie of uitspraak. Vanuit de NOV adviseren we iedere vrijwilligersorganisatie om het tuchtrecht toe te passen, zoals wij dat hebben vastgelegd. Als je dat doet kun je namelijk ook gebruikmaken van het registratiesysteem.

In het Wetboek van Strafrecht staat wat strafbare feiten zijn. Welke straf iemand krijgt die seksueel misbruik heeft gepleegd valt niet een twee drie te zeggen. Dat hangt af van allerlei omstandigheden. De rechter bepaalt uiteindelijk welke straf iemand krijgt. Afhankelijk van hoe zwaar iemand in de fout is gegaan, pas je het tuchtrecht of het strafrecht toe. Soms is het voldoende om iemand uit te sluiten van vrijwilligerswerk in jouw organisatie. In andere gevallen kan het nodig zijn  om er een strafzaak van te maken en politie en Justitie in te schakelen. Het beste is natuurlijk om ervoor te zorgen dat de kans op misbruik zo klein mogelijk is. Dus om je organisatie zo veilig mogelijk te maken.

De gezamenlijke registratielijst

Hoe kom je er als vrijwilligersorganisatie nou achter of iemand als eens in de fout is gegaan? Daarvoor hebben we de gezamenlijk registratielijst gemaakt. Als je lid bent van de registratielijst  kun je checken of vrijwilligers al eens bij andere organisaties in de fout zijn gegaan. Het is niet zo dat je meteen een lijst met allemaal namen te zien krijgt. Op de registratielijst staan de gevallen die volgens het tuchtrecht zijn behandeld. Als er aanleiding is om een vrijwilliger in jouw organisate te controleren, kun je zijn of haar naam invoeren in het systeem. Als diegene op de lijst voorkomt, krijg je daar een melding van. Voor meer informatie: www.tuchtrechtvrijwilligerswerk.nl. Op de registratielijst staat iedereen die maatregel heeft gekregen bij een van de aangesloten vrijwilligersorganisaties. Er kunnen dus ook mensen op staan die niet door Justitie zijn veroordeeld.

De gezamenlijke registratielijst is belangrijk voor alle vrijwilligersorganisaties. Hoe meer organisaties meedoen, hoe meer we samen bouwen aan veiligheid in het vrijwilligerswerk. Tegelijkertijd ligt zo'n lijst  gevoelig. Er staan namen van mensen op die in de fout zijn gegaan, maar het is niet de bedoeling dat die mensen aan de schandpaal worden genageld. Daarom voldoet de lijst aan een aantal criteria van de Commissie Bescherming Persoonsgegevens (CBP). Dat betekent dat niet iedereen de lijst mag gebruiken en mensen mag aanmelden. Meer informatie over de registratielijst, hoe je je kunt aanmelden als organisatie en over het tuchtrecht vind je op tuchtrechtvrijwilligerswerk.

Omgaan met weerstand

Het onderwerp seksueel ongewenst gedrag/seksueel misbruik ligt gevoelig. Je begint er niet zomaar even over. En er kunnen allerlei redenen zijn waarom dit onderwerp in een vrijwilligersorganisatie extra gevoelig ligt. En waarom zou je het erover hebben als er in het lange bestaan van jouw organisatie nog nooit iets vervelends op dit gebied is gebeurd. Toch is het belangrijk. Juist door het met de betrokkenen hierover te hebben, zorg je ervoor dat de kans zo klein mogelijk wordt dat er iets misgaat. Om je te helpen bij het praten hierover hebben we Omgaan met weerstand gemaakt. Als je dat gebruikt, kun je het gesprek beter en gemakkelijk op gang brengen. De belangrijkste antwoorden op kritische vragen en opmerkingen hebben we al voor je op een rij gezet.

Het project In veilige handen

Het project In veilige handen is door Vereniging NOV en movisie gezamenlijk gerealiseerd. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ondersteunden de totstandkoming. De Vrijwilligerscentrale Amsterdam heeft een aantal materialen belangeloos ter beschikking gesteld. Deze materialen zijn ontwikkeld met subsidie van Gemeente Amsterdam.

Er is een In veilige handen training voor ondersteuners in het vrijwilligerswerk die werkzaam zijn bij een vrijwilligersorganisatie of bij een lokaal/regionaal steunpunt.

De training duurt 2 dagen en na afloop ben je in staat om voorlichting te geven aan lokale vrijwilligersorganisaties en om vrijwilligers te trainen die adviseur sociale veiligheid willen worden. Neem voor meer informatie contact op met Ronald Hetem (r.hetem@nov.nl, 0630100448).